
Cornelis Hattu (geboren in Yogyakarta op 10 augustus 1923) wordt als KNIL-militair na de capitulatie van het KNIL in 1942 te Bandung krijgsgevangen gemaakt. Uiteindelijk transporteert het Japanse leger hem naar Saumlaki op het hoofdeiland Yamdena van de Tanimbar-archipel, om daar te werken aan Japanse stellingen en loopgraven.

Nicolaas Jouwe (1923 – 2017) was 18 jaar toen de Japanners Nederlands-Nieuw Guinea binnenvielen. In september 1943 ging Jouwe nachts vissen met zijn neef Simon in de baai, die plots zei, ‘Het water kookt, ik geloof dat er een grote vis naar boven komt!’ Het bleek een onderzeeër van de geallieerden. De beide mannen werden meegenomen de onderzeeër in naar Finschhafen in oost Nieuw Guinea. Ze kwamen terug als onderdeel van de geallieerde troepen die Hollandia binnenvielen op 22 april 1942.

Kapitein R. Korteweg (Amsterdam, 5-04-1903 - Den Haag, 09-04-1984) vormt tijdens zijn krijgsgevangenschap de kampleiding van het Juliana-kamp in Amahei op het eiland Seram. Het kamp dateert van april 1943. De krijgsgevangenen leggen daar een vliegveld aan. In oktober 1943 worden de krijgsgevangenen overgebracht naar het eiland Haruku. Korteweg legt zijn herinneringen vast in 'De 1000 van Amahei'.

Amad Lesteluhu (Tulehu, 1932 -) wordt geboren en groeit op in het dorp Tulehu, in het noordoosten van het eiland Ambon. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkt hij als jongen (ca. 10-13 jaar oud) onder Japanse leiding in de algemene keuken. Hij is er getuige van dat honderden geallieerde krijgsgevangenen door het dorp lopen op weg naar Liang.

Jacob Litamahuputty (1918 - Ambon, 02-03-1944) is als leider betrokken bij het verzet op Ambon en Saparua tegen het Japanse leger. Omdat tijdens zijn voortvluchtigheid zijn familieleden worden mishandeld, geeft hij zich over. Op 2 maart 1944, wordt hij samen met twintig andere verzetsmensen geëxecuteerd.